Ann Demeester (1975) is sinds 2006 directeur van de Appel. Eerder was zij onder meer journalist en directeur van W139 in Amsterdam. “De Appel moet een levendig, dynamisch en actief instituut zijn, dat met beide voeten in het nu staat.”
Wat is de Appel voor instelling?
‘Wij zijn het best te vergelijken met een museum zonder eigen collectie. Als we al een ‘collectie’ hebben, dan bestaat die uit ideeën, herinneringen en emoties, die puur en alleen in het hoofd zitten. We tonen hedendaagse kunst, werk dat nu wordt gemaakt. En bovendien hebben we een opleidingsprogramma voor jonge curatoren, het Curatorial Programme (CP).’
De Appel is in 1975 opgericht. Wat voor plek was het toen?
‘Eind jaren zeventig was de Appel een soort huiskamer, kleinschalig en intiem, waar radicale dingen gebeurden. Mijn voormalige baas, Jan Hoet, sprak over ‘de paradox van De Appel’: als je alle mensen optelt die zeggen dat ze bij legendarische performances waren, kom je tot honderden aanwezigen. Terwijl er waarschijnlijk maar dertig in de ruimte pasten. De reputatie is dus groter dan de toenmalige realiteit.
In 1975 wijdden heel weinig instellingen zich specifiek aan performance. Dat gaf de Appel een grote invloed op het internationale kunstenveld. Je zag er jonge Nederlandse kunstenaars naast Amerikaanse kunstenaars, die nu de canon van de performance vormen: Vito Acconci, Chris Burden, Laurie Anderson, Joan Jonas. Bijzonder was dat de Appel ook veel Oost-Europese kunstenaars toonde. De communicatie met communistisch Oost-Europa was in die jaren van het ijzeren gordijn moeilijk. Westerse curatoren hadden daardoor moeite te ontdekken wat daar gebeurde. Appel-oprichter Wies Smals en haar toenmalige medewerkster Aggie Smeets reisden naar Polen, Hongarije en Tsjecho-Slowakije om daar met kunstenaars te praten. Vaak slaagden ze er dan niet in om hen naar hier te halen, maar werd hun werk wel gerepresenteerd.’
Hoe schets je de ontwikkeling van de Appel?
‘Onder Wies Smals begon het als centrum voor performance. Toen dat als genre een breder draagvlak kreeg, ontwikkelde het zich tot een ‘office voor contemporary art’: een bureau dat kunstenaars zoals Lawrence Weiner hielp om projecten te realiseren buiten het atelier of in een medium dat buiten de beeldende kunst lag, zoals film.
Nadat Smals heel onverwachts overleed, maakte haar opvolgster, Saskia Bos, van de Appel een soort internationale showroom. Een plek waar het publiek kon kennismaken met nieuwe ontwikkelingen in de beeldende kunst. Ook merkte Bos dat jonge kunsthistorici geen voeling hadden met hedendaagse kunst. Ze waren gewend dode kunstenaars te bestuderen en rond hun werk tentoonstellingen te organiseren, maar misten de gevoeligheden en de professionele vaardigheden om een tentoonstelling te maken met kunstenaars die wel leven. Daaruit ontstond het CP.’
Jij volgde Saskia Bos in 2006 op.
‘Ik was directeur van W139 in Amsterdam en kende de Appel als een iconisch mini-instituut, dat ik bewonderde en volgde. Ik dacht: ik ga er mijn leven lang spijt van hebben als ik niet probeer te solliciteren. Eerlijk gezegd dacht ik dat ik te jong zou zijn. Maar ik wist dat ik het kon en voldoende ideeën had voor wat de Appel in een nieuw tijdperk zou kunnen zijn. Ik wilde de Appel doorontwikkelen en de afstand tot kunstenaars en publiek verkleinen. De Appel moest een levendig, dynamisch en actief instituut zijn, een plek die met de voeten in het nu staat. Een soort buurtsuper, waar je exclusieve en nieuwe producten kunt krijgen die niet te vinden zijn in de Albert Heijn of de Dirk van den Broek.’
Jij bracht de performance weer terug naar de Appel.
‘Dat medium ontdekten beeldend kunstenaars, choreografen en theatermakers in Nederland en daarbuiten opnieuw als instrument. Als ik ze sprak, hoorde ik dat ze erg vastzaten in de ‘segregatie’ tussen de disciplines. Theater, dans en beeldende kunst zijn in Nederland streng gescheiden. Ik sprak choreografen die los wilden komen van de elementen die nodig zijn om een productie als voorstelling te verkopen. Dan moet je een titel en concept al een half jaar voor de première aanleveren. Anderzijds wilden beeldend kunstenaars graag eens een echt toneelstuk maken, met echte acteurs, en een begin en een einde. Daarom gingen we performance programmeren. Wij kunnen veel meer vrijheid bieden dan een museum of een theater. We doen dat in samenwerking met partners uit de podiumkunsten, zoals Frascati.’
Hoe kiest de Appel de kunstenaars die het toont?
‘Elain Sturtevant, een kunstenares met wie we twee projecten deden, noemde het belangrijkste instrument voor een curator of kunstenaar ‘informed intuition’. Je vertrouwt op je intuïtie, maar die is niets waard als je niet heel goed bent geïnformeerd over alles wat zich om je heen afspeelt. Ik probeer dus zo veel mogelijk kunst te zien, nationaal en internationaal. Ik gebruik uiteraard tijdschriften en internet, maar reis ook vaak en veel. De persoonlijke ontmoeting blijft ontzettend belangrijk. Zelfs een conceptueel werk wil je zelf zien en fysiek in de ruimte meemaken.
Ik ben vooral geïnteresseerd in kunstenaars die vanuit een hyperpersoonlijk perspectief op de wereld om hen heen reageren. Als je het werk ziet, denk je wellicht aanvankelijk dat de kunstenaar alleen met zichzelf bezig is, met zijn autobiografie en zijn kleine wereld. Maar gaandeweg ontdek je dat dit microperspectief wel degelijk een verband heeft met het macroperspectief.’
Dat werk is niet altijd makkelijk te ‘lezen’.
‘Hedendaagse kunst maakt veel mensen onzeker. Want een goed kunstwerk is geen sudoku of kruiswoordraadsel, er is niet één oplossing. Dat is ook zijn waarde: in een maatschappij waar alles is gericht op snelheid, directheid, consumeerbaarheid, makkelijkheid en herkenbaarheid leert hedendaagse kunst ons omgaan met dingen die afwijken en meer moeite vergen. Dat betekent dat je als kijker heel erg zelfverzekerd moet zijn. Je moet zelf besluiten of een werk je raakt en of je hiermee de confrontatie wilt aangaan. Maar je moet je niet laten intimideren, omdat het werk moeilijk overkomt. Soms is een werk ook gewoon heel grappig, dan mag je daar best om lachen.’
Leren wij wel hoe we met dat soort werk moeten omgaan?
‘Theater en literatuur gebruiken taal, een communicatie-instrument dat we dagelijks gebruiken. Taal kun je analyseren en eenduidig begrijpen. Beeld en dans staan als communicatievorm veel verder van ons af en wekken bovendien een veel abstractere ervaring op. Als je het met drugs vergelijkt, zijn theater en literatuur cocaïne. Zij intensiveren wat je al kent. Dans en beeldende kunst zijn een LSD-trip. Je weet niet wat er gaat gebeuren en je bent niet altijd ‘in control’. Je moet open staan voor een nieuwe ervaring, maar dat is lastig. De crux bij hedendaagse kunst is: als kijker moet je ervan overtuigd zijn dat je eigen oordeel waardevol is en tegelijkertijd moet je er moeite voor doen om met het kunstwerk in contact te komen.’
Maar waarom zouden we die moeite doen?
‘Het geeft je nieuwe ideeën, een nieuw perspectief. Kunst is een esthetische ervaring, die zich afspeelt in je hoofd, je lichaam en je gevoel. Dat maakt hedendaagse kunst vaak ook verontrustend. Heel weinig kunst bevestigt wat je al weet of gelooft. Het klinkt prekerig, maar actuele kunst leert ons open te staan voor het andere, voor wat je niet begrijpt en niet kent. In een samenleving als de onze is zo’n vaardigheid een groot goed.’
In 2012 betrekt de Appel een nieuw pand, de Zeemanshoop. Wat voor plek moet dat worden in Amsterdam?
‘Ik hoop dat mensen er graag naartoe gaan, niet alleen om tentoonstellingen te zien, maar ook voor een kop koffie of om even in de bibliotheek te zitten. Het pand is redelijk statig, maar toch warm en huiselijk. Ik hoop dat het een soort tempel wordt waarin ook koeien worden verhandeld: een tempel voor de kunst, waar het dagelijks leven binnenkomt. Verder hoop ik dat we inhoudelijk dezelfde koers kunnen aanhouden. Wat wij tonen soms moeilijk en onbegrijpelijk: is het hogere wiskunde, of esoterische algebra of zelfs alchemie? Met behulp van het gebouw, de randprogrammering en communicatie wil ik hier echter een sfeer omheen brengen, waardoor mensen zich bij ons welkom voelen.’